17 februari 2026
De casus van Ploem betreft een koppel dat na een succesvolle Ivf-behandeling hun resterende embryo's laat invriezen. Na het plotselinge overlijden van de mannelijke donor verzoekt de vrouwelijke donor om overplaatsing van de ingevroren embryo's naar een centrum dat haar kan bijstaan bij postmortale IVF; het oorspronkelijke centrum biedt deze behandeling niet aan. Haar wordt echter meegedeeld dat dit niet mogelijk is vanwege artikel 7 van de Embryowet. De instelling stelt dat na het overlijden van een van de donoren de overgebleven embryo's dienen te worden vernietigd, tenzij door beide donoren vooraf schriftelijk toestemming is verleend voor het bewaren en gebruiken van de embryo's. De rechtbank oordeelt echter dat het centrum het koppel niet voldoende heeft geïnformeerd over deze regel, waardoor het toch de ingevroren embryo's aan de vrouw moeten afgeven.
Laten we ons bij wetstoepassing, zeker ook binnen de gezondheidszorg, niet blindstaren op een – formeel-juridisch – correcte uitleg van de wet, maar altijd oog blijven houden voor de belangen die de wetgever via de wet heeft willen beschermen
Na de beslissing door de rechter hebben Ploem en collega Merel Spaander (LHL) een bijdrage geschreven voor het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht over het bredere thema van postmortale voortplanting. Hun conclusie luidt dat soms, zoals bij deze casus waarin er voor de vrouw een groot belang op het spel staat, niet naar de letter, maar de geest van de wet moet worden gehandeld. Ze wijzen er ook op dat instellingen zich moeten inspannen om hun donoren goed en volledig te informeren en op hun rechten te wijzen.