Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
Onderzoeker en docent mr. dr. Rolinka Wijne schreef het artikel 'Toekomstige omgang met medische incidenten' dat recent in het Nederlands Juristenblad (NJB) is gepubliceerd.

De juridische kaders die bepalen hoe wordt gereageerd op een incident en op zorggerelateerde schade zijn de afgelopen jaren meer dan oppervlakkig veranderd met het doel de rechtspositie van patiënt en hulpverlener te verbeteren. Rolinka onderzocht in hoeverre de wijzigingen daadwerkelijk die beoogde verbeteringen hebben opgeleverd. Na een inventarisatie van de wijzigingen bracht zij in kaart welke problemen zich nog voordoen.  

Als knelpunten benoemt Rolinka dat de juridische kaders niet steeds hun doel bereiken – vooral omdat zij voor patiënten niet altijd goed van elkaar zijn te onderscheiden – en daardoor zelfs een averechts effect kunnen hebben. Bij alle kaders rijst voorts de vraag of bij samenwerkende specialisten wel de juiste persoon wordt aangesproken. Opvallend is ten slotte dat geen van de juridische kaders het in zich heeft om de organisatie van de zorg als zelfstandige of mede mogelijke oorzaak van een incident te beoordelen en, zo nodig, van een gevolg te voorzien. Steeds wordt het handelen van de beroepsbeoefenaar beoordeeld, terwijl organisatorische aspecten daarop van invloed kunnen zijn. 

Op basis van haar analyse formuleert Rolinka gedachten over een nieuw stelsel voor de omgang met medische incidenten en zorggerelateerde schade waarin er een prominente plaats is voor een patiënten(incidenten)coördinator en een zorgomstandighedenanalyse. Deze zorgomstandighedenanalyse moet duidelijkheid geven over de zorgomstandigheden, met aandacht voor zowel wat fout als wat goed gaat. De zorgomstandighedenanalyse fungeert vervolgens ook als ontvankelijkheidsdrempel én wegwijzer voor de laatste fase, die als ultimum remedium geldt en zich kenmerkt door de mogelijkheid de organisatie van zorg en/of het handelen van de beroepsbeoefenaar te laten beoordelen door een extern college. Dit college zou in de plaatst moeten komen van de huidige geschilleninstanties en de tuchtcolleges.